Oriëntalisme, ook vandaag

De tentoonstelling ‘Achter de Duizend-en-Een-Nacht. Verhalen van de oriëntalismen’ in het Louvre-Lens. foto © Louvre-Lens / Frédéric Iovino
Het begrip ‘oriëntalisme’ heeft enkel zeggenschap vanuit een machtspositie. Tenminste, daar wordt op aangestuurd door het onder te brengen in het huidige diversiteits- en dekoloniseringsdebat.
Oriëntalisme is een overzicht van westerse standpunten over en voorstellingen van het Oosten. De combinatie van kolonisering en de analytische, rationele benadering, eigen aan de Verlichting tussen ruwweg eind 18de tot begin 20ste eeuw, vormde een sterk geromantiseerde fantasie die zich nestelde in ons westers bewustzijn. Het is een deel van de westerse canon en daarom verdacht. De popularisering gebeurde door studie, schilderkunst, mode, architectuur en muziek.
Karel de Grote en Haroen ar-Rashid
Voordien werden de onvermijdelijke contacten met vreemde beschavingen realistischer weergegeven als menselijke ontmoetingen waaruit lessen werden getrokken. Er waren al uitwisselingen tussen Karel de Grote en de islamitische kalief Haroen ar-Rashid rond het jaar 800. Daarna kwamen Andalusië, de kruistochten en de Ottomaanse oorlogen. Rubens verwerkte oosterse elementen in zijn bijbelse taferelen. Zelfs bij Rembrandt is er geen sprake van fantasie, terwijl dat toch een periode van intense uitwisseling en kolonialisme was.
De Duits-Nederlandse Maria Sibylla Merian begon in 1699 aan haar meesterlijke studie van de metamorfose van insecten in Suriname. Dat past zonder meer binnen de Verlichting. Nieuwsgierigheid naar de ander is altijd een westers kenmerk geweest en de ervaringen werden studiemateriaal.
Een hang naar het vreemde
Naar andere culturen werd zowel neerbuigend als bewonderend gekeken, natuurlijk met een westers oog. Want de hang naar het vreemde valt niet alleen samen met de koloniseringen, er was ook de industriële revolutie. Dan gaat de menselijke geest al snel zoeken naar een tegenwicht om de realiteit te verzachten. Heimwee naar een primitiever, zonniger en eenvoudiger leven vormde mee de oriëntalistische fantasie. Paul Gauguin ging ervoor naar Tahiti en Jacques Brel volgde hem.
Maar oriëntalisme omvat enkel de oosterse landen en dan vooral de vroegere koloniën van Frankrijk. Een recente tentoonstelling met als leidraad en titel ‘Achter de Duizend-en-Een-Nacht. Verhalen van de oriëntalismen’ in het Louvre-Lens, catalogiseerde zowat alle facetten van het oriëntalisme met artefacten vanaf de vroege middeleeuwen. De sprong vooruit door de industriële ontwikkeling beïnvloedde ongetwijfeld de relatie met het Oosten maar ik herinner me niet dat zoiets ter sprake kwam. De zaalteksten, ook steeds in het Nederlands, verduidelijkten de omstandigheden waaruit al deze voorwerpen kwamen. De voorwerpen waren vaak mooi bewerkt, wat de inleving makkelijk maakte.
Een sympathieke kijk op een islamitische wereld
Conflicten waren afwezig, enkel het schilderij dat Napoleon al strijdend voorstelde in Egypte was wat scherper. Verder lag de nadruk op de soms simpele maar sympathieke kijk op een islamitische wereld die uitnodigde tot toe-eigening, toen nog onschuldig. Ik las nadien dat Frankrijk ter plaatse collecties samenstelde in landen als Algerije, Tunesië en Marokko die in daarvoor opgerichte musea werden tentoongesteld. De conclusie lijkt dat de Fransen van plan waren om te blijven. Dat bleef buiten de tentoonstelling.
Mijn vraag naar de betekenis van het woord ‘oriëntalisme’ bracht me bij een essay van Erwin Jans, Oriëntalisme Now!. Een Nederlandstalige filosofische analyse van het boek Oriëntalism. Western Conceptions of the Oriënt uit 1978, van Edward Said. Kort samengevat: je kunt enkel besluiten dat het ‘oriëntalisme’ geen foute representatie is maar een toe-eigening die nu eenmaal eigen is aan culturele communicatie.
Said ziet mogelijkheden in het vertellen van nieuwe verhalen waardoor het bestaande, imperialistische discours gecorrigeerd wordt. Daarmee sluit hij aan bij het relativisme, de filosofische hoofdstroom toen hij zijn boek schreef. Anderzijds gaat hij in tegen een al te gemakkelijk gebruik van termen als ‘globalisering’ en ‘multiculturalisme’ om de processen te beschrijven die de moderne samenleving vormgeven. ‘De wereld als ons dorp’ wordt ermee op losse schroeven gezet. Conflicten zijn eerder deel van de ontmoeting met andere culturen dan vreedzaam samengaan. Hij ging niet mee in het westerse verhaal.
Het werd steeds makkelijker en progressiever
Kunstenaars als Matisse en in veel mindere mate Francis Bacon en David Hockney zetten het oriëntalisme voort tot over de wereldoorlogen heen. (Picasso en de Duitse expressionisten hielden zich bezig met Afrikaanse kunst). Vanaf dan werd reizen steeds makkelijker en progressiever. Steeds meer kwam de Oriënt hierheen en werden oosterse invloeden zichtbaarder in onze keuken en het dagelijkse leven. Vanuit de EU en de links-progressieve organisaties kreeg deze ontwikkeling de volle steun. De Louvre-Lens-tentoonstelling zwakt de scherpe randen af en normaliseert de fusie.
In Den Haag loopt momenteel een tentoonstelling waarin M.C. Escher niet onterecht gekoppeld wordt aan islamitische kunst. Hij liet zich blijkbaar inspireren door de kunst in het Alhambra. Net als bij het Louvre-Lens worden er rondom werken geplaatst van hedendaagse kunstenaars met islamitische wortels. Zo ontstaat opnieuw een fusie die er eerder niet was.
Oriëntalisme wordt zo de onderscheidende kracht ontnomen. De culturele communicatie gebeurt nu hier. De oosterse mentaliteit was en is echt wel verschillend van de westerse. De ontkenning ervan is het nieuwe oriëntalisme. Zich laten inspireren staat nog ver af van assimilatie met de islam. Ergens ging het besef verloren dat in de 18de eeuw de studie van de islamitische cultuuruitingen zeer progressief en emanciperend was voor ons, ondanks de vooroordelen.